Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 15,90 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 10,50 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker. Dit kan even duren.
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
Algemeen Empagliflozine mag niet worden gebruikt bij patiënten met diabetes mellitus type 1 (zie "Ketoacidose" in rubriek 4.4). Ketoacidose Er zijn gevallen, waaronder levensbedreigende en fatale gevallen, van ketoacidose gemeld bij patiënten met diabetes mellitus die behandeld werden met SGLT2‑remmers, inclusief empagliflozine. Bij een aantal van deze meldingen presenteerde de aandoening zich atypisch met alleen matig verhoogde bloedglucosewaarden, onder de 14 mmol/l (250 mg/dl). Het is niet bekend of het waarschijnlijker is dat ketoacidose bij hogere doses van empagliflozine optreedt. Alhoewel het minder waarschijnlijk is dat ketoacidose optreedt bij patiënten zonder diabetes mellitus, zijn er ook gevallen bij deze patiënten gemeld. In het geval van niet‑specifieke symptomen zoals misselijkheid, braken, anorexie, buikpijn, overmatige dorst, ademhalingsmoeilijkheden, verwardheid, ongewone vermoeidheid of slaperigheid moet rekening worden gehouden met het risico op ketoacidose. Patiënten dienen onmiddellijk op ketoacidose te worden onderzocht als deze symptomen zich voordoen, ongeacht de bloedsuikerspiegel. Bij patiënten bij wie ketoacidose wordt vermoed of gediagnosticeerd, dient de behandeling met empagliflozine onmiddellijk te worden gestaakt. De behandeling dient te worden onderbroken bij patiënten die worden opgenomen in het ziekenhuis voor grote chirurgische ingrepen of voor ernstige acute medische aandoeningen. Monitoring van ketonen wordt aanbevolen bij deze patiënten. Het meten van ketonenwaarden in het bloed heeft de voorkeur boven meten in de urine. Behandeling met empagliflozine kan opnieuw worden gestart wanneer de ketonenwaarden normaal zijn en de toestand van de patiënt is gestabiliseerd. Vóór aanvang van de behandeling met empagliflozine, dienen factoren in de voorgeschiedenis van de patiënt die predisponerend kunnen zijn voor ketoacidose, in aanmerking te worden genomen. Langdurige ketoacidose en langdurige glucosurie zijn waargenomen met empagliflozine. Ketoacidose kan na het staken van de behandeling met empagliflozine langer aanhouden dan verwacht op basis van de plasmahalfwaardetijd (zie rubriek 5.2). Er kunnen empagliflozine-onafhankelijke factoren, zoals insulinedeficiëntie, betrokken zijn bij langere perioden van ketoacidose. Patiënten die een hoger risico op ketoacidose kunnen lopen, zijn o.a. patiënten met een lage bètacelfunctiereserve (bijvoorbeeld patiënten met diabetes type 2 met lage C‑peptide, latente auto‑immuundiabetes bij volwassenen (LADA) of patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis), patiënten met aandoeningen die leiden tot beperkte inname van voedsel of ernstige uitdroging, patiënten bij wie de insulinedosering is verlaagd en patiënten met een verhoogde insulinebehoefte als gevolg van een acute medische aandoening, operatie of alcoholmisbruik. Bij deze patiënten dienen SGLT2‑remmers met voorzichtigheid te worden gebruikt. Het wordt niet aanbevolen om een behandeling met SGLT2‑remmers te herstarten bij patiënten die ketoacidose hebben ervaren tijdens een eerdere behandeling met SGLT2‑remmers, tenzij een andere duidelijke precipiterende factor is geïdentificeerd en verholpen. Jardiance mag niet gebruikt worden bij patiënten met diabetes type 1. Gegevens van een klinisch onderzoeksprogramma toonden aan dat patiënten met diabetes type 1, behandeld met empagliflozine 10 mg en 25 mg als aanvulling op insuline, vaker voorvallen van ketoacidose hadden ten opzichte van placebo. Nierinsufficiëntie Vanwege beperkte ervaring wordt het niet aanbevolen om een behandeling met empagliflozine te starten bij patiënten met een eGFR van <� 20 ml/min/1,73 m2. Bij patiënten met een eGFR van <� 60 ml/min/1,73 m2 is de dagelijkse dosis empagliflozine 10 mg (zie rubriek 4.2). De glucoseverlagende werkzaamheid van empagliflozine is afhankelijk van de nierfunctie en is verminderd bij patiënten met een eGFR van <� 45 ml/min/1,73 m2 en waarschijnlijk afwezig bij patiënten met een eGFR van <� 30 ml/min/1,73 m2 (zie rubrieken 4.2, 5.1 en 5.2). Monitoren van nierfunctie Beoordeling van de nierfunctie wordt als volgt aanbevolen: Voordat gestart wordt met empagliflozine en regelmatig tijdens de behandeling, d.w.z. ten minste jaarlijks (zie rubrieken 4.2, 4.8, 5.1 en 5.2) Voordat gestart wordt met een gelijktijdig te gebruiken geneesmiddel dat een negatief effect kan hebben op de nierfunctie. Risico op volumedepletie Gebaseerd op de werkingswijze van SGLT2‑remmers kan osmotische diurese bij glucosurie leiden tot een geringe afname van de bloeddruk (zie rubriek 5.1). Daarom is voorzichtigheid geboden bij patiënten voor wie een empagliflozinegeïnduceerde daling van de bloeddruk een risico kan vormen, zoals patiënten met bekende cardiovasculaire aandoeningen, patiënten met een voorgeschiedenis van hypotensie behandeld met antihypertensiva of patiënten van 75 jaar en ouder. In geval van omstandigheden die kunnen leiden tot vochtverlies (bijvoorbeeld gastro‑intestinale ziekte), wordt zorgvuldige controle van de volumestatus (bijvoorbeeld lichamelijk onderzoek, bloeddrukmetingen, laboratoriumtests waaronder hematocriet) en elektrolyten aanbevolen voor patiënten die empagliflozine krijgen. Tijdelijke onderbreking van de behandeling met empagliflozine moet worden overwogen totdat het vloeistofverlies is gecorrigeerd. Ouderen Het effect van empagliflozine op glucose‑excretie in de urine is geassocieerd met osmotische diurese, wat de hydratatiestatus kan beïnvloeden. Patiënten van 75 jaar en ouder kunnen een verhoogd risico op volumedepletie hebben. Een groter aantal van deze patiënten behandeld met empagliflozine kreeg bijwerkingen gerelateerd aan volumedepletie in vergelijking met placebo (zie rubriek 4.8). Daarom dient speciale aandacht gegeven te worden aan hun vochtinname in het geval van gelijktijdig toegediende geneesmiddelen die tot volumedepletie kunnen leiden (bijvoorbeeld diuretica, ACE‑remmers). Gecompliceerde urineweginfectie Er zijn gevallen van gecompliceerde urineweginfecties gemeld, waaronder pyelonefritis en urosepsis, bij patiënten die werden behandeld met empagliflozine (zie rubriek 4.8). Tijdelijke onderbreking van empagliflozine moet worden overwogen bij patiënten met gecompliceerde urineweginfecties. Necrotiserende fasciitis van het perineum (Fournier‑gangreen) Er zijn gevallen van necrotiserende fasciitis van het perineum (ook bekend als Fournier‑gangreen) gemeld bij vrouwelijke en mannelijke patiënten die SGLT2‑remmers innemen, waaronder empagliflozine. Dit is een zeldzaam maar ernstig en potentieel levensbedreigend voorval dat met spoed een chirurgische ingreep en antibiotische behandeling vereist. Patiënten moet worden geadviseerd een arts te raadplegen als ze last hebben van een combinatie van de symptomen pijn, gevoeligheid, erytheem of zwelling in het genitale of perineale gebied, met koorts of malaise. Wees ervan bewust dat urogenitale infectie of perineaal abces aan necrotiserende fasciitis vooraf kan gaan. Als Fournier‑gangreen vermoed wordt, dient de toediening van Jardiance te worden stopgezet en onmiddellijk een behandeling (waaronder antibiotica en chirurgisch debridement) te worden ingesteld. Amputatie van de onderste ledematen Een toename in amputaties van de onderste ledematen (voornamelijk van de tenen) is waargenomen in klinische langetermijnstudies met een andere SGLT2‑remmer. Het is niet bekend of dit een klasse‑effect betreft. Het is voor alle diabetespatiënten belangrijk om goed geadviseerd te worden over standaard preventieve voetverzorging. Leverschade Er zijn gevallen van leverschade gemeld met empagliflozine in klinisch onderzoek. Een causaal verband tussen empagliflozine en leverschade is niet vastgesteld. Verhoogd hematocriet Er werd een stijging van het hematocriet waargenomen bij behandeling met empagliflozine (zie rubriek 4.8). Patiënten met sterke verhogingen van het hematocriet moeten worden gecontroleerd en onderzocht op onderliggende hematologische aandoeningen. Chronische nierschade Patiënten met albuminurie kunnen meer baat hebben bij een behandeling met empagliflozine. Infiltratieve ziekte of takotsubocardiomyopathie Er is geen specifiek onderzoek uitgevoerd bij patiënten met infiltratieve ziekte of met takotsubocardiomyopathie. Daardoor is de werkzaamheid bij deze patiënten niet vastgesteld. Laboratoriumbepalingen urine Door zijn werkingsmechanisme zullen patiënten die Jardiance innemen, positief testen op glucose in de urine. Interferentie met 1,5‑anhydroglucitol (1,5‑AG)‑gehaltebepaling Bepaling van de bloedglucoseregulatie met de 1,5‑AG‑gehaltebepaling wordt niet aanbevolen, aangezien metingen met 1,5‑AG onbetrouwbaar zijn voor de beoordeling van de bloedglucoseregulatie bij patiënten die SGLT2‑remmers gebruiken. Om de bloedglucoseregulatie te controleren, worden andere methoden aanbevolen. Lactose De tabletten bevatten lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose‑intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose‑galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken. Natrium Elke tablet bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg), dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
Diabetes mellitus type 2
Jardiance 10 mg filmomhulde tabletten
Elke tablet bevat 10 mg empagliflozine.
Hulpstoffen met bekend effect Elke tablet bevat lactosemonohydraat equivalent aan 154,3 mg watervrije lactose.
Jardiance 25 mg filmomhulde tabletten
Elke tablet bevat 25 mg empagliflozine.
Hulpstoffen met bekend effect Elke tablet bevat lactosemonohydraat equivalent aan 107,4 mg watervrije lactose.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
Farmacodynamische interacties Diuretica Empagliflozine kan bijdragen aan het diuretisch effect van thiazide‑ en lisdiuretica en kan het risico van uitdroging en hypotensie verhogen (zie rubriek 4.4).
Insuline en insulinesecretagogenen Insuline en insulinesecretagogenen, zoals sulfonylureumderivaten, kunnen het risico op hypoglykemie verhogen. Een lagere dosis insuline of insulinesecretagogeen kan daarom nodig zijn om het risico op hypoglykemie te verminderen wanneer gebruikt in combinatie met empagliflozine (zie rubrieken 4.2 en 4.8).
Farmacokinetische interacties Effecten van andere geneesmiddelen op empagliflozine In‑vitro‑gegevens suggereren dat de primaire route van metabolisme van empagliflozine bij mensen glucuronidering door uridine‑5'‑difosfoglucuronosyltransferases UGT1A3, UGT1A8, UGT1A9 en UGT2B7 is. Empagliflozine is een substraat van de humane opnametransporters OAT3, OATP1B1 en OATP1B3, maar niet van OAT1 en OCT2. Empagliflozine is een substraat van P‑glycoproteïne (P‑gp) en borstkankerresistentieproteïne (BCRP).
Gelijktijdige toediening van empagliflozine met probenecide, een remmer van UGT‑enzymen en OAT3, resulteerde in een 26% toename van de piekplasmaconcentratie (Cmax) van empagliflozine en een 53% toename van de oppervlakte onder de concentratie/tijd‑curve (AUC). Deze veranderingen werden niet als klinisch relevant beschouwd.
Het effect van UGT‑inductie (bijvoorbeeld inductie door rifampicine of fenytoïne) op empagliflozine is niet onderzocht. Gelijktijdige behandeling met bekende induceerders van UGT‑enzymen wordt niet aanbevolen vanwege een potentieel risico op verminderde werkzaamheid. Als een induceerder van deze UGT‑enzymen gelijktijdig moet worden toegediend, is controle van de bloedglucoseregulatie ter beoordeling van de respons op Jardiance aangewezen.
Uit een interactiestudie met gemfibrozil, een in‑vitro‑remmer van OAT3 en OATP1B1/1B3‑transporters, bleek dat de Cmax van empagliflozine toenam met 15% en de AUC toenam met 59% na gelijktijdige toediening. Deze veranderingen werden niet als klinisch relevant beschouwd.
Remming van OATP1B1/1B3‑transporters door gelijktijdige toediening met rifampicine resulteerde in een 75% toename van de Cmax en een 35% toename van de AUC van empagliflozine. Deze veranderingen werden niet als klinisch relevant beschouwd.
Blootstelling aan empagliflozine was gelijk met en zonder gelijktijdige toediening met verapamil, een P‑gp‑remmer, wat erop wijst dat remming van P‑gp geen klinisch relevant effect op empagliflozine heeft.
Interactiestudies suggereren dat de farmacokinetiek van empagliflozine niet wordt beïnvloed door gelijktijdige toediening met metformine, glimepiride, pioglitazon, sitagliptine, linagliptine, warfarine, verapamil, ramipril, simvastatine, torasemide en hydrochloorthiazide.
Effecten van empagliflozine op andere geneesmiddelen Empagliflozine kan de renale lithiumexcretie verhogen en de lithiumconcentraties in het bloed kunnen dalen. De serumconcentratie van lithium moet vaker worden gecontroleerd na het starten met empagliflozine en na aanpassing van de dosis. Voor het monitoren van de serumconcentratie van lithium moet de patiënt worden verwezen naar de arts die lithium voorschrijft.
Uit in‑vitro‑studies blijkt dat empagliflozine de CYP450‑isovormen niet remt, inactiveert of induceert. Empagliflozine remt UGT1A1, UGT1A3, UGT1A8, UGT1A9 of UGT2B7 niet. Geneesmiddeleninteracties tussen de belangrijkste CYP450‑ en UGT‑isovormen met empagliflozine en gelijktijdig toegediende substraten van deze enzymen worden daarom onwaarschijnlijk geacht.
Empagliflozine remt P‑gp niet bij therapeutische doses. Op basis van in‑vitro‑studies wordt het onwaarschijnlijk geacht dat empagliflozine interacties veroorzaakt met werkzame stoffen die P‑gp‑substraten zijn. Gelijktijdige toediening van digoxine, een P‑gp‑substraat, met empagliflozine resulteerde in een 6% toename van de AUC en een 14% toename van de Cmax van digoxine. Deze veranderingen werden niet als klinisch relevant beschouwd.
Empagliflozine remt in vitro bij klinisch relevante plasmaconcentraties geen humane opnametransporters zoals OAT3, OATP1B1 en OATP1B3 en daarom worden geneesmiddeleninteracties met substraten van deze opnametransporters onwaarschijnlijk geacht.
Interactiestudies uitgevoerd bij gezonde vrijwilligers suggereren dat empagliflozine geen klinisch relevant effect heeft op de farmacokinetiek van metformine, glimepiride, pioglitazon, sitagliptine, linagliptine, simvastatine, warfarine, ramipril, digoxine, diuretica en orale anticonceptiva.
Pediatrische patiënten Onderzoek naar interacties is alleen bij volwassenen uitgevoerd.
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Neem direct contact op met een arts of het dichtstbijzijnde ziekenhuis als u een van de volgende bijwerkingen heeft:
Ernstige allergische reactie, komt soms voor (komt voor bij minder dan 1 op de 100 gebruikers) Mogelijke verschijnselen van een ernstige allergische reactie kunnen onder andere zijn:
zwelling van het gezicht, de lippen, de mond, de tong of de keel, waardoor het moeilijk kan worden om adem te halen of te slikken.
Ketoacidose (verzuring bloed), komt soms voor (komt voor bij minder dan 1 op de 100 gebruikers) Dit zijn de verschijnselen van ketoacidose (zie ook rubriek 2 'Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?'):
een verhoogde concentratie van 'ketonlichamen' in uw bloed of urine snel gewichtsverlies misselijkheid of overgeven buikpijn erge dorst hebben snelle en diepe ademhaling verwardheid ongebruikelijke slaperigheid of vermoeidheid een zoete geur van uw adem, een zoete of metaalachtige smaak in uw mond of een andere geur van uw urine of zweet.
Deze klachten kunnen optreden ongeacht de bloedsuikerspiegel. Uw arts kan beslissen om tijdelijk of voorgoed te stoppen met uw behandeling met Jardiance.
Neem zo snel mogelijk contact op met uw arts als u de volgende bijwerkingen ervaart:
Laag bloedsuikergehalte (hypoglykemie), zeer vaak waargenomen (komt voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers) Als u Jardiance inneemt met een ander medicijn dat een laag bloedsuikergehalte kan veroorzaken, zoals een sulfonylureumderivaat of insuline, dan is de kans op het krijgen van een laag bloedsuikergehalte hoger. De verschijnselen bij een laag bloedsuikergehalte kunnen zijn:
trillen, zweten, zich zeer angstig of verward voelen, snelle hartslag overmatige honger, hoofdpijn.
Uw arts zal u vertellen hoe u het lage bloedsuikergehalte moet behandelen en wat u moet doen als u een van bovengenoemde verschijnselen krijgt. Als u klachten heeft van een laag bloedsuikergehalte, eet dan glucosetabletten, een snack met veel suiker of drink vruchtensap. Meet zo mogelijk uw bloedsuiker en rust.
Urineweginfectie, vaak waargenomen (komt voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers) De verschijnselen van een urineweginfectie zijn:
brandend gevoel tijdens het plassen urine ziet er troebel uit pijn in het bekken of pijn in de middenrug (wanneer nieren geïnfecteerd zijn).
Een drang om te plassen of meer frequent te plassen kan te wijten zijn aan de manier waarop Jardiance werkt, maar kunnen ook verschijnselen zijn van een urineweginfectie. Als u een toename van dergelijke klachten opmerkt, moet u ook contact opnemen met uw arts.
Uitdroging, wordt zeer vaak waargenomen (komt voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers) De verschijnselen bij uitdroging zijn niet specifiek, maar kunnen zijn:
ongebruikelijke dorst licht gevoel in het hoofd of duizeligheid bij het opstaan flauwvallen of bewustzijnsverlies.
Andere bijwerkingen van Jardiance: Vaak
genitale schimmelinfectie (candida) meer plassen dan gebruikelijk of vaker moeten plassen jeuk huiduitslag of rode huid – deze kan jeuken en gepaard gaan met bulten, vochtafscheiding of blaren dorst bloedonderzoek kan een stijging in de spiegels van vetten in het bloed (cholesterol) tonen verstopping.
Soms
netelroos moeite of pijn bij het plassen bloedonderzoek kan een daling in verband met de nierfunctie tonen (creatinine of ureum) bloedonderzoek kan toename in de hoeveelheid rode bloedcellen in uw bloed (hematocriet) tonen.
Zelden
necrotiserende fasciitis van het perineum of Fournier‑gangreen, een ernstige infectie van weke delen van de geslachtsorganen of het gebied tussen de geslachtsdelen en de anus.
Zeer zelden
ontsteking van de nieren (tubulo‑interstitiële nefritis).
Het melden van bijwerkingen Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook rechtstreeks melden via: België Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten www.fagg.be Afdeling Vigilantie: Website: www.eenbijwerkingmelden.be e-mail: adr@fagg-afmps.be Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor (een van de) in"Samenstelling" vermelde hulpstof(fen).
Zwangerschap Er zijn geen gegevens over het gebruik van empagliflozine bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek tonen aan dat empagliflozine in zeer beperkte mate de placenta passeert tijdens de late zwangerschap, maar duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft vroege embryonale ontwikkeling. Dieronderzoek heeft echter nadelige effecten op de postnatale ontwikkeling aangetoond (zie rubriek 5.3). Uit voorzorg heeft het de voorkeur het gebruik van Jardiance te vermijden tijdens de zwangerschap. Borstvoeding Er zijn geen gegevens beschikbaar bij de mens over uitscheiding van empagliflozine in de moedermelk. Uit beschikbare toxicologische gegevens bij dieren blijkt dat empagliflozine in melk wordt uitgescheiden. Risico voor pasgeborenen/zuigelingen kan niet worden uitgesloten. Jardiance mag niet worden gebruikt in de periode dat borstvoeding wordt gegeven. Vruchtbaarheid Er is geen onderzoek uitgevoerd naar het effect van Jardiance op de vruchtbaarheid bij de mens. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft de vruchtbaarheid (zie rubriek 5.3).
Volwassenen
Toedieningswijze
| CNK | 3153665 |
|---|---|
| Organisaties | Boehringer Ingelheim |
| Merken | Boehringer |
| Breedte | 65 mm |
| Lengte | 103 mm |
| Diepte | 63 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 100 |
| Actieve ingrediënten | empagliflozine |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |