Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 2,00 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 1,00 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Medicatiefouten, waaronder onopzettelijke, onbedoelde of niet onder toezicht uitgevoerde vervanging van formuleringen van tacrolimus met directe of verlengde afgifte, zijn waargenomen. Dit heeft tot ernstige bijwerkingen geleid, waaronder afstoting van het transplantaat, of tot andere bijwerkingen die een gevolg zouden kunnen zijn van te hoge of te lage blootstelling aan tacrolimus. Patiënten dienen op één enkele formulering van tacrolimus te worden gehouden, met het overeenkomende dagdoseringsschema. Wijzigingen in de formulering of in het schema mogen alleen plaatsvinden onder nauwlettend toezicht van een transplantatiespecialist (zie rubrieken 4.2 en 4.8). In de eerste periode na transplantatie moeten de volgende parameters routinematig gecontroleerd worden: bloeddruk, ecg, neurologische en visuele status, nuchtere bloedglucosewaarden, elektrolyten (vooral kalium), lever- en nierfunctietests, hematologieparameters, bloedstollingswaarden en bepaling van plasma-eiwitten. Als er klinisch relevante wijzigingen worden gezien, moet aanpassing van het immunosuppressieve behandelschema worden overwogen. Stoffen die interacties zouden kunnen vertonen Remmers of inductoren van CYP3A4 mogen alleen gelijktijdig worden toegediend met tacrolimus na overleg met een transplantatiespecialist vanwege de mogelijkheid van geneesmiddelinteracties die kunnen leiden tot ernstige bijwerkingen, waaronder afstoting of toxiciteit (zie rubriek 4.5). CYP3A4-remmers Gelijktijdig gebruik met CYP3A4-remmers kan de bloedconcentraties van tacrolimus verhogen, wat kan leiden tot ernstige bijwerkingen, waaronder nefrotoxiciteit, neurotoxiciteit en QT-verlenging. Het wordt aanbevolen om gelijktijdig gebruik van sterke CYP3A4-remmers (zoals ritonavir, cobicistat, ketoconazol, itraconazol, posaconazol, voriconazol, telitromycine, claritromycine of josamycine) met tacrolimus te vermijden. Indien gelijktijdig gebruik onvermijdelijk is, moeten de bloedconcentraties van tacrolimus regelmatig gemonitord worden, vanaf de eerste paar dagen van gelijktijdige toediening, onder toezicht van een transplantatiespecialist, om indien nodig de tacrolimusdosis zo aan te passen dat de blootstelling aan tacrolimus onveranderd blijft. Nierfunctie, ECG inclusief het QT�interval en de klinische toestand van de patiënt moeten ook nauwgezet gemonitord worden. Dosisaanpassing dient te worden gebaseerd op de persoonlijke situatie van elke patiënt. Een onmiddellijke dosisverlaging kan nodig zijn bij de start van de behandeling (zie rubriek 4.5).
Stopzetting van CYP3A4-remmers kan eveneens de snelheid van metabolisme van tacrolimus beïnvloeden, wat kan leiden tot subtherapeutische bloedconcentraties van tacrolimus en daarom is nauwgezette controle en toezicht van een transplantatiespecialist vereist. CYP3A4-inductoren Gelijktijdig gebruik met CYP3A4-inductoren kan de bloedconcentraties van tacrolimus verlagen, waardoor het risico op transplantaatafstoting mogelijk toeneemt. Het wordt aanbevolen om gelijktijdig gebruik van sterke CYP3A4-inductoren (zoals rifampicine, fenytoïne, carbamazepine) met tacrolimus te vermijden. Indien gelijktijdig gebruik onvermijdelijk is, moeten de bloedconcentraties van tacrolimus regelmatig gemonitord worden, vanaf de eerste paar dagen van gelijktijdige toediening, onder toezicht van een transplantatiespecialist, om indien nodig de tacrolimusdosis zo aan te passen, dat de blootstelling aan tacrolimus onveranderd blijft. De transplantaatfunctie moet ook goed worden gemonitord (zie rubriek 4.5). Stopzetting van CYP3A4-inductoren kan eveneens de snelheid van metabolisme van tacrolimus beïnvloeden, wat kan leiden tot supratherapeutische bloedconcentraties van tacrolimus en daarom is nauwgezette controle en toezicht van een transplantatiespecialist vereist. P-glycoproteïne Voorzichtigheid is geboden als tacrolimus gelijktijdig wordt toegediend met geneesmiddelen die P�glycoproteïne remmen, aangezien een toename van de tacrolimusspiegels kan optreden. De volbloedspiegels van tacrolimus en de klinische toestand van de patiënt dienen nauwlettend te worden gecontroleerd. Het kan nodig zijn de dosis tacrolimus aan te passen (zie rubriek 4.5). Fytotherapeutica Kruidenpreparaten die sint-janskruid (Hypericum perforatum) bevatten, of andere kruidenpreparaten, dienen te worden vermeden in de periode dat tacrolimus wordt gebruikt, vanwege het risico op interacties die tot verlaging van de concentraties tacrolimus in het bloed en tot een verminderd klinisch effect van tacrolimus leiden of een stijging van de concentraties tacrolimus in het bloed en het risico op tacrolimustoxiciteit (zie rubriek 4.5). Overige interacties Gecombineerde toediening van ciclosporine en tacrolimus dient te worden vermeden en voorzichtigheid is geboden bij toediening van tacrolimus aan patiënten die eerder ciclosporine hebben gekregen (zie rubrieken 4.2 en 4.5). Een hoge inname van kalium of kaliumsparende diuretica moet worden vermeden (zie rubriek 4.5). Bepaalde combinaties van tacrolimus met geneesmiddelen die nefrotoxische of neurotoxische effecten hebben kunnen het risico op deze effecten verhogen (zie rubriek 4.5). Vaccinatie Immunosuppressiva kunnen de respons op vaccinatie beïnvloeden en vaccinatie tijdens behandeling met tacrolimus kan minder doeltreffend zijn. Het gebruik van levende verzwakte vaccins moet worden vermeden. Nefrotoxiciteit Tacrolimus kan leiden tot nierfunctiestoornissen bij patiënten na transplantatie. Een acute nierfunctiestoornis kan zonder actieve interventie overgaan in een chronische nierfunctiestoornis. Patiënten met een verminderde nierfunctie moeten nauwgezet gemonitord worden, aangezien de dosering van tacrolimus mogelijk verlaagd moet worden. Het risico op nefrotoxiciteit kan toenemen wanneer tacrolimus gelijktijdig wordt toegediend met geneesmiddelen die geassocieerd worden met nefrotoxiciteit (zie rubriek 4.5). Gelijktijdig gebruik van tacrolimus met geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze nefrotoxische effecten hebben, moet worden vermeden. Wanneer gelijktijdige
toediening niet kan worden vermeden, dienen de tacrolimusdalspiegel en de nierfunctie nauwgezet gemonitord te worden en dosisverlaging moet worden overwogen als nefrotoxiciteit optreedt. Maagdarmstelselaandoeningen Gastro-intestinale perforatie is gemeld bij patiënten behandeld met tacrolimus. Aangezien gastro�intestinale perforatie een medisch belangrijk voorval is dat kan leiden tot een levensgevaarlijke of ernstige aandoening, moeten adequate behandelingen worden overwogen direct nadat er verdachte symptomen of tekenen optreden. Aangezien het gehalte van tacrolimus in het bloed aanzienlijk kan veranderen tijdens episoden van diarree, wordt extra controle van de tacrolimusconcentraties aanbevolen tijdens episoden van diarree. Hartaandoeningen Ventriculaire hypertrofie of septumhypertrofie zijn in zelden voorgekomen gevallen waargenomen en werden gemeld als cardiomyopathieën. De meeste gevallen waren reversibel, kwamen vooral voor bij kinderen en gingen gepaard met veel hogere dalconcentraties tacrolimus in het bloed dan de aanbevolen maximale waarden. Andere factoren waarvan is vastgesteld dat zij het risico van deze klinische toestand verhogen, zijn een vooraf aanwezige hartaandoening, gebruik van corticosteroïden, hypertensie, nier- of leverfunctiestoornis, infecties, vochtoverbelasting en oedeem. Hoogrisicopatiënten, vooral jonge kinderen en patiënten die een hoge dosering immunosuppressiva krijgen, dienen te worden gemonitord met gebruik van procedures zoals echocardiografie of ECG's vóór en na transplantatie (bv. eerst na drie maanden en vervolgens na 9 - 12 maanden). Indien zich afwijkingen voordoen, dient dosisverlaging van tacrolimus of overschakeling op behandeling met een ander immunosuppressivum te worden overwogen. Tacrolimus kan het QT-interval verlengen en torsade de pointes veroorzaken. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met risicofactoren voor verlenging van het QT-interval, waaronder patiënten met een persoonlijke of familiale voorgeschiedenis van verlenging van het QT-interval, congestief hartfalen, bradyaritmie en elektrolytenafwijkingen. Voorzichtigheid is ook geboden bij patiënten met de diagnose of met een vermoeden van congenitaal lange-QT-intervalsyndroom of verworven verlenging van het QT-interval of patiënten die comedicatie gebruiken die het QT-interval verlengt, elektrolytenafwijkingen opwekt of de blootstelling aan tacrolimus verhoogt (zie rubriek 4.5). Lymfoproliferatieve stoornissen en maligniteiten Bij patiënten die behandeld werden met tacrolimus is melding gemaakt van de ontwikkeling van Epstein-Barr virus (EBV)-geassocieerde lymfoproliferatieve afwijkingen en andere maligniteiten, waaronder huidkanker en Kaposi-sarcoom (zie rubriek 4.8). Patiënten die overschakelen naar behandeling met tacrolimus mogen niet gelijktijdig een antilymfocytenbehandeling krijgen. Van zeer jonge (< 2 jaar), EBV-VCA-negatieve kinderen is gerapporteerd dat zij een verhoogd risico hebben om een lymfoproliferatieve stoornis te ontwikkelen. Daarom dient in deze patiëntengroep de EBV�VCA-serologie te worden vastgesteld voordat wordt gestart met behandeling met tacrolimus. Zorgvuldige monitoring met behulp van EBV-PCR gedurende de therapie wordt aanbevolen. Een positieve EBV-PCR kan maandenlang aanwezig zijn, maar is op zichzelf geen indicatie van een lymfoproliferatieve ziekte of lymfoom. Kaposi-sarcoom, waaronder gevallen met agressieve ziektevormen en fatale aflopen, werd gerapporteerd bij patiënten die tacrolimus kregen. In sommige gevallen werd regressie van het Kaposi-sarcoom waargenomen na verminderen van de intensiteit van de immunosuppresie. Net als met andere immunosuppressiva moet blootstelling aan zonlicht en uv-licht worden beperkt door beschermende kleding te dragen en een zonnebrandmiddel met een hoge beschermingsfactor te gebruiken, vanwege het mogelijke risico op kwaadaardige huidveranderingen. Net als met andere krachtige immunosuppressieve middelen is het risico op secundaire kanker onbekend.
Posterieur reversibel encefalopathiesyndroom (PRES) Van patiënten die werden behandeld met tacrolimus is gemeld dat zij reversibel posterieur leuko�encefalopathiesyndroom (RPLS) ontwikkelden. Als patiënten die tacrolimus gebruiken symptomen krijgen die op RPLS wijzen, bv. hoofdpijn, veranderde geestelijke toestand, toevallen en visusstoornissen, dient radiologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Indien RPLS wordt gediagnosticeerd, wordt aanbevolen om de bloeddruk en epileptische aanvallen nauwkeurig te controlen en om systemische tacrolimus onmiddelijk te staken. De meeste patiënten herstellen volledig nadat passende maatregelen zijn getroffen. Oogaandoeningen Oogaandoeningen, die soms voortschrijden tot verlies van het gezichtsvermogen, zijn gemeld bij patiënten die werden behandeld met tacrolimus. Bij enkele gevallen is gemeld dat de klachten verdwenen na overschakeling op alternatieve immunosuppressie. Patiënten dient te worden verzocht melding te maken van veranderingen in de gezichtsscherpte, veranderingen in de kleurwaarneming, wazig zien of gezichtsvelduitval, en in dergelijke gevallen wordt snelle beoordeling aangeraden, zo nodig met doorverwijzing naar een oogarts. Infecties, waaronder opportunistische infecties Patiënten die behandeld worden met immunosuppressiva, waaronder tacrolimus, hebben een verhoogd risico op infecties, waaronder opportunistische infecties (viraal, bacterieel, fungaal en protozoaal) zoals CMV-infectie, BK-virus geassocieerde nefropathie en JC-virus geassocieerde progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML). Patiënten lopen ook een groter risico op infecties met virale hepatitis (bijvoorbeeld reactivering van en 'de novo'-infectie met hepatitis B en C, alsook hepatitis E, dat chronisch kan worden). Deze infecties zijn vaak gerelateerd aan een hoge totale immunosuppressieve belasting en kunnen leiden tot ernstige of fatale condities, waaronder transplantaatafstoting, die artsen dienen te overwegen tijdens de differentiaaldiagnose van patiënten die immunosuppressieve therapie ondergaan en een verslechterende lever- of nierfunctie of neurologische symptomen hebben. Preventie en behandeling moeten overeenstemmen met de klinische richtlijnen. Trombotische microangiopathie (TMA) (inclusief hemolytisch uremisch syndroom (HUS) en trombotische trombocytopenische purpura (TTP)) De diagnose van TMA, waaronder trombotische trombocytopenische purpura (TTP) en hemolytisch uremisch syndroom (HUS), die soms leiden tot nierfalen of een fatale afloop, moet worden overwogen bij patiënten die zich melden met hemolytische anemie, trombocytopenie, vermoeidheid, wisselende neurologische verschijnselen, nierfunctiestoornissen en koorts. Indien TMA wordt vastgesteld, is onmiddellijke behandeling vereist en stopzetting van tacrolimus moet naar inzicht van de behandelende arts worden overwogen. Gelijktijdige toediening van tacrolimus met een mammalian target of rapamycin (mTOR)-remmer (bijv. sirolimus, everolimus) kan het risico op trombotische microangiopathie (waaronder hemolytisch uremisch syndroom en trombotische trombocytopenische purpura) verhogen. Erytroblastopenie Er zijn gevallen van eryrtroblastopenie gemeld bij patiënten die werden behandeld met tacrolimus. Alle patiënten meldden risicofactoren voor eryrtroblastopenie, zoals infectie met parvovirus B19, onderliggende ziekte of gelijktijdige medicatie die geassocieerd is met eryrtroblastopenie. Hulpstoffen Adoport bevat lactose en natrium Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose-intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie, dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken. Dit middel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per harde capsule, dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
Elke capsule bevat 0,5 mg, 0,75 mg, 1 mg, 2 mg, 5 mg tacrolimus (als monohydraat).
Inhoud capsule: lactose-monohydraat, hypromellose (E 464), croscarmellosenatrium (E 468) en magnesiumstearaat (E 572).
Harde capsule van gelatine:
0,5 mg: gelatine, titaniumdioxide (E 171), natriumlaurylsulfaat, sorbitaanlauraat en geel ijzeroxide (E 172).
0,75 mg: gelatine, titaandioxide (E 171), geel ijzeroxide (E 172), Briljantblauw FCF (E 133), Schellak (E 904), propyleenglycol (E 1520), kaliumhydroxide (E 525) en zwart ijzeroxide (E 172).
1 mg: gelatine, titaniumdioxide (E 171), natriumlaurylsulfaat, sorbitaanlauraat, geel ijzeroxide (E 172), rood ijzeroxide (E 172) en zwart ijzeroxide (E 172).
2 mg: gelatine, titaandioxide (E 171), geel ijzeroxide (E 172), rood ijzeroxide (E 172), Briljantblauw FCF (E 133), Schellak (E 904), propyleenglycol (E 1520), kaliumhydroxide (E 525) en zwart ijzeroxide (E 172).
5 mg: gelatine, titaniumdioxide (E 171), natriumlaurylsulfaat, sorbitaanlauraat en rood ijzeroxide (E 172).
Gebruikt u naast Adoport nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort geleden gedaan of gaat u dit misschien binnenkort doen? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Dit geldt ook voor geneesmiddelen die u zonder voorschrift kunt krijgen en voor kruidengeneesmiddelen.
Adoport mag niet samen met ciclosporine worden ingenomen.
De concentraties van Adoport in het bloed kunnen worden beïnvloed door andere geneesmiddelen die u inneemt, en de concentraties van andere geneesmiddelen kunnen worden beïnvloed door het innemen van Adoport. Hierdoor kan het nodig zijn om de dosis Adoport te stoppen, te verhogen of te verlagen. U dient het met name tegen uw arts te zeggen als u geneesmiddelen neemt of onlangs heeft genomen met werkzame bestanddelen zoals:
antischimmelmiddelen en antibiotica, met name de zogenaamde macrolide antibiotica gebruikt voor de behandeling van infecties zoals ketoconazol, fluconazol, itraconazol, voriconazol, clotrimazol, isavuconazol, erytromycine, claritromycine, josamycine, rifampicine en flucloxacilline
letermovir, gebruikt om ziekte veroorzaakt door CMV (humaan cytomegalovirus) te voorkomen
hivproteaseremmers (bijvoorbeeld ritonavir, nelfinavir, saquinavir), het boostergeneesmiddel cobicistat en combinatietabletten die worden gebruikt voor de behandeling van een hivinfectie
HCVproteaseremmers (bijvoorbeeld telaprevir, boceprevir en de combinatie ombitasvir/paritaprevir/ritonavir met of zonder dasabuvir), die worden gebruikt voor de behandeling van hepatitis Cinfectie
Nilotinib en imatinib (gebruikt voor de behandeling van bepaalde vormen van kanker)
Mycofenolzuur, gebruikt voor het onderdrukken van het immuunsysteem om zo transplantaatafstoting te voorkomen
geneesmiddelen tegen een maagzweer en reflux van maagzuur (bijv. omeprazol, lansoprazol of cimetidine)
anti-emetica, gebruikt voor de behandeling van misselijkheid en braken (bijv. metoclopramide)
magnesium-aluminium-hydroxide (antacidum), gebruikt tegen zuurbranden
hormoonbehandelingen met ethinylestradiol (bv. de anticonceptiepil) of danazol
geneesmiddelen tegen hoge bloeddruk of hartproblemen, zoals nifedipine, nicardipine, diltiazem en verapamil
geneesmiddelen die antiaritmica worden genoemd (amiodaron), die worden gebruikt voor de behandeling van hartritmestoornissen (onregelmatige hartslag)
geneesmiddelen die 'statines' worden genoemd, die worden gebruikt voor de behandeling van verhoogd cholesterol en triglyceriden
de geneesmiddelen tegen epilepsie, fenytoïne en fenobarbital
de corticosteroïden prednisolon en methylprednisolon
het antidepressivum nefazodon
kruidenmiddelen met Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) of extracten van Schisandra sphenanthera
metamizol, een geneesmiddel dat wordt gebruikt om pijn en koorts te behandelen
cannabidiol (onder andere voor de behandeling van epileptische aanvallen)
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben. Niet iedereen krijgt daarmee te maken.
Adoport onderdrukt het eigen afweermechanisme van uw lichaam, zodat uw lichaam uw getransplanteerde orgaan niet afstoot. Als gevolg daarvan zal uw lichaam niet zo goed zijn als gewoonlijk in het bestrijden van infecties. Daarom kunt u, als u Adoport inneemt, vaker infecties oplopen dan gewoonlijk, zoals infecties van de huid, mond, maag en darmen, longen en urinewegen.
Sommige infecties kunnen ernstig of dodelijk zijn en kunnen infecties omvatten die worden veroorzaakt door bacteriën, virussen, schimmels, parasieten of andere infecties. Vertel het uw arts onmiddellijk als u tekenen van een infectie krijgt, zoals:
Koorts, hoesten, keelpijn, zich zwak of algemeen onwel voelen
Geheugenverlies, problemen met denken, problemen met lopen of verlies van gezichtsvermogen - deze kunnen het gevolg zijn van een zeer zeldzame, ernstige herseninfectie, die dodelijk kan zijn (progressieve multifocale leuko-encefalopathie of PML)
Er kunnen ernstige bijwerkingen optreden, waaronder de hieronder vermelde bijwerkingen. Vertel het onmiddellijk tegen uw arts als u een van de volgende ernstige bijwerkingen heeft of vermoedt dat u die heeft:
Opportunistische infecties (met bacteriën, schimmels, virussen en protozoa): langdurige diarree, koorts en keelpijn.
Goedaardige en kwaadaardige tumoren zijn gemeld na behandeling, als gevolg van immunosuppressie.
Trombotische trombocytopenische purpura (of TTP), een aandoening die wordt gekenmerkt door koorts en blauwe plekken onder de huid die eruit kunnen zien als rode speldenprikken, met of zonder onverklaarde extreme vermoeidheid, verwardheid, gele verkleuring van de huid of ogen (geelzucht), met symptomen van acuut nierfalen (geen of weinig urineproductie).
Gevallen van erytroblastopenie (een zeer ernstige afname van het aantal rode bloedcellen) en hemolytische anemie (afgenomen aantal rode bloedcellen door een abnormale afbraak, die gepaard gaat met vermoeidheid) en febriele neutropenie (een afname in het type witte bloedcellen die infecties bestrijden, gepaard gaande met koorts) zijn gemeld. Het is niet exact bekend hoe vaak deze bijwerkingen optreden. U kunt geen symptomen hebben of, afhankelijk van de ernst van de aandoening, kunt u last hebben van: vermoeidheid, apathie, abnormale bleekheid van de huid, kortademigheid, duizeligheid, hoofdpijn, pijn op de borst en koude handen en voeten.
Gevallen van agranulocytose (een ernstige afname van het aantal witte bloedcellen, die gepaard gaat met zweren in de mond, koorts en infectie(s)). U kunt geen symptomen hebben of u kunt plotselinge koorts, verstijvingen en keelpijn voelen.
Allergische en anafylactische reacties met de volgende symptomen: een plotselinge jeukende uitslag (netelroos), zwelling van handen, voeten, enkels, gezicht, lippen, mond of keel (die problemen kan veroorzaken met het slikken of ademen) en u kunt het gevoel hebben dat u gaat flauwvallen.
Posterieur reversibel encefalopathiesyndroom (PRES): hoofdpijn, gewijzigde psychische status, stuipen en visusstoornissen.
Torsade de pointes: verandering in de hartslagfrequentie die al dan niet gepaard kan gaan met symptomen, zoals pijn op de borst (angina pectoris), flauwte, duizeligheid of misselijkheid, hartkloppingen (de hartslag voelen) en ademhalingsproblemen.
Gastro-intestinale perforatie: hevige buikpijn al dan niet gepaard gaand met andere symptomen, zoals koude rillingen, koorts, misselijkheid of braken.
Stevens-Johnson-syndroom: onverklaarde wijdverspreide pijn in de huid, zwelling van het gezicht, ernstige ziekte met blaarvorming van de huid, mond, ogen en geslachtsdelen, netelroos, zwelling van de tong, rode of paarse huiduitslag die zich verspreidt, afschilfering van de huid.
Toxische epidermale necrolyse: erosie en blaarvorming van huid of slijmvliezen, rode gezwollen huid die kan loslaten op grote delen van het lichaam.
Hemolytisch uremisch syndroom, een aandoening met de volgende symptomen: lage of geen urineproductie (acuut nierfalen), extreme vermoeidheid, gele verkleuring van de huid of ogen (geelzucht) en abnormale kneuzingen of bloedingen, en tekenen van infectie.
Onvoldoende werking van uw getransplanteerde orgaan.
De hieronder vermelde bijwerkingen kunnen ook optreden na het ontvangen van Adoport:
Zeer vaak (kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 mensen): verhoogde bloedsuiker, diabetes mellitus, verhoogd kaliumgehalte in het bloed slaapproblemen trillen, hoofdpijn verhoogde bloeddruk diarree, misselijkheid nierproblemen
Vaak (kunnen optreden bij tot 1 op de 10 mensen): verlaagd gehalte van magnesium, fosfaat, kalium, calcium of natrium in het bloed, te veel vocht in het lichaam, verhoogd urinezuur- of vetgehalte in het bloed, verminderde eetlust, verhoogde zuurgraad van het bloed, andere veranderingen in de bloedzouten angstsymptomen, verwarring en desoriëntatie, depressie, stemmingswisselingen, nachtmerrie, hallucinatie, psychische stoornissen stuipen, verstoring van het bewustzijn, tintelend en verdoofd gevoel (soms pijnlijk) in de handen en voeten, duizeligheid, verstoord schrijfvermogen, zenuwstelselaandoeningen wazig zicht, verhoogde gevoeligheid voor licht, oogaandoeningen oorsuizingen verminderde bloedstroom in de bloedvaten van het hart, snellere hartslag bloedingen, gedeeltelijke of volledige verstopping van bloedvaten, verlaagde bloeddruk kortademigheid, veranderingen in het longweefsel, ophoping van vocht rondom de longen, keelontsteking, hoesten, griepachtige symptomen ontstekingen of zweren die buikpijn of diarree veroorzaken, bloedingen in de maag, ontstekingen of zweren in de mond, ophoping van vocht in de buik, braken, buikpijn, spijsverteringsklachten, verstopping, winderigheid, opzwelling, dunne ontlasting, maagklachten veranderingen in leverenzymen en leverfunctie, gele verkleuring van de huid vanwege leverproblemen, beschadiging van leverweefsel en leverontsteking
jeuk, uitslag, haaruitval, acne, verhoogde transpiratie pijn in gewrichten, ledematen, rug en voeten, spierspasmen algemene zwakte, koorts, ophoping van vocht in uw lichaam, pijn en ongemak, verhoogd gehalte van het enzym alkalische fosfatase in uw bloed, gewichtstoename, verstoorde temperatuurwaarneming
Soms (kunnen optreden bij tot 1 op de 100 mensen): veranderingen in de bloedstolling, afname van de aantallen van alle bloedcellen, uitdroging, verlaagd eiwit- of suikergehalte in het bloed, verhoogd fosfaatgehalte in het bloed coma, bloeding in de hersenen, beroerte, verlamming, hersenstoornis, afwijkingen in de spraak en taal, geheugenproblemen matheid van de lens gehoorstoornis onregelmatige hartslag, stoppen van de hartslag, afgenomen werking van uw hart, aandoening van de hartspier, vergroting van de hartspier, sterkere hartslag, abnormaal ecg, abnormale hartslag en pols bloedstolsel in een bloedvat van een ledemaat, shock ademhalingsproblemen, luchtwegaandoeningen, astma obstructie van de darm, verhoogd gehalte in uw bloed van het enzym amylase, terugvloeiing van maaginhoud in uw keel, vertraagde lediging van de maag dermatitis, brandend gevoel in het zonlicht
gewrichtsaandoeningen niet kunnen urineren, pijnlijke menstruatie en abnormale menstruatiebloeding falen van bepaalde organen, griepachtige ziekte, verhoogde gevoeligheid voor warmte en kou, gevoel van druk op de borst, zenuwachtig of abnormaal gevoel, verhoging van het enzym lactaatdehydrogenase in uw bloed, gewichtsverlies
Zelden (kunnen optreden bij tot 1 op de 1.000 mensen): kleine bloedingen in uw huid door bloedproppen toegenomen spierstijfheid blindheid doofheid vochtophoping rondom het hart acute ademnood cystevorming in uw pancreas problemen met de bloeddoorstroming in de lever toegenomen beharing dorst, vallen, benauwd gevoel in uw borst, verminderde beweeglijkheid, zweervorming
Zeer zelden (kunnen optreden bij tot 1 op de 10.000 mensen): spierzwakte afwijkend echocardiogram leverfalen, vernauwing van de galgang pijnlijk urineren met bloed in de urine toename van vetweefsel
Niet bekend (de frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald): afwijking van de oogzenuw (opticusneuropathie)
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts of apotheker. Dit geldt ook voor bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook melden via het Federaal
Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, Afdeling Vigilantie, Postbus 97, 1000
BRUSSEL Madou, Website: www.eenbijwerkingmelden.be, e-mail: adr@fagg.be. Door bijwerkingen te melden, helpt u ons om meer informatie te krijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.
Wanneer mag u dit middel niet innemen?
U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6 van deze bijsluiter.
U bent allergisch (overgevoelig) voor een antibioticum uit de groep van de macrolide antibiotica (bijvoorbeeld erytromycine, claritromycine, josamycine).
4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding Zwangerschap Uit gegevens over vrouwen blijkt dat tacrolimus de placenta passeert. Er bestaat een risico op hyperkaliëmie bij de pasgeborene (bijv. een incidentie van 7,2% bij neonaten, d.w.z. 8 van de 111), wat doorgaans spontaan lijkt te normaliseren. Tacrolimusbehandeling kan worden overwogen bij zwangere vrouwen indien er geen veiliger alternatief beschikbaar is en wanneer de verkregen voordelen opwegen tegen het potentiële risico voor de foetus. In geval van blootstelling in utero wordt aanbevolen de pasgeborene te controleren op mogelijke bijwerkingen van tacrolimus (in het bijzonder bijwerkingen op de nieren). Resultaten van een niet-interventionele post-autorisatie veiligheidsstudie [EUPAS37025] Een post-autorisatie veiligheidsstudie analyseerde 2.905 zwangerschappen uit het Transplant Pregnancy Registry International (TPRI), waarbij de uitkomsten werden beoordeeld van vrouwen die werden behandeld met tacrolimus (383 prospectief gemeld, waaronder 247 niertransplantatiepatiënten en 136 levertransplantatiepatiënten), en degenen die andere immunosuppressiva gebruikten. Op basis van beperkte gegevens (289 prospectief gemelde zwangerschappen waarbij sprake was van blootstelling aan tacrolimus in het eerste trimester) wezen de resultaten van het onderzoek niet op een verhoogd risico op ernstige misvormingen. Er werd een hogere prevalentie van spontane abortus waargenomen bij vrouwen die behandeld waren met tacrolimus in vergelijking met alternatieve immunosuppressiva. Onder niertransplantatiepatiënten was er ook een hogere prevalentie van pre�eclampsie bij vrouwen die behandeld waren met tacrolimus. Over het geheel was er echter onvoldoende bewijs om conclusies te trekken over het risico van deze uitkomsten. Onder nier- en levertransplantatiepatiënten die aan tacrolimus werden blootgesteld, was 45%-55% van hun levendgeborenen prematuur, met 75%-85% die een normaal geboortegewicht hadden voor de zwangerschapsduur. Er werden vergelijkbare resultaten waargenomen bij andere immunosuppressiva, hoewel er door het beperkte bewijs maar moeilijk conclusies kunnen worden getrokken. Bij ratten en konijnen veroorzaakt tacrolimus embryofoetale toxiciteit bij doses waarbij maternale toxiciteit optreedt (zie rubriek 5.3). Borstvoeding Humane gegevens laten zien dat tacrolimus wordt uitgescheiden in de moedermelk. Aangezien nadelige effecten op de pasgeborene niet kunnen worden uitgesloten, mogen vrouwen geen borstvoeding geven in de periode dat zij tacrolimus gebruiken. Vruchtbaarheid In ratten werd een nadelig effect van tacrolimus op de mannelijke vruchtbaarheid waargenomen, in de vorm van een verlaagd aantal spermacellen en afgenomen motiliteit (zie rubriek 5.3).
Levertransplantatie
Niertransplantatie
Harttransplantatie
Andere allotransplantaten (beperkte gegevens)
Toedieningswijze
| CNK | 2915312 |
|---|---|
| Organisaties | Sandoz |
| Merken | Sandoz |
| Breedte | 83 mm |
| Lengte | 176 mm |
| Diepte | 81 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 100 |
| Actieve ingrediënten | tacrolimus |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |